Boek!

Ik heb een boek geschreven. Daar schijnen in Nederland circa 1 miljoen mensen mee bezig te zijn.
Ik was een van hen en ik kan inmiddels zonder enig probleem een trilogie afleveren met de  titel ‘Je boek uitgeven, een kansloze missie’. Met als ondertitel: 100 manieren om het geloof in jezelf als schrijver volledig en duurzaam te verliezen’.

Ik ben er in 2011 aan begonnen… aan het boek, dat toen nog een manuscript heette. Dat laatste was belangrijk: er rust ontegenzeglijk een vloek op het woord ‘boek’ zolang het slechts een manuscript is. Zo kijken uitgeverijen ook naar de manuscripten die ze dagelijks in forse aantallen uit de envelop trekken en op een grote stapel leggen. In kennerskringen heet zo’n stapel een slush pile.

Om vaart te maken had ik mezelf de vrij onmogelijk eis opgelegd om per dag minstens 1000 woorden te schrijven. Op zich ging me dat nog aardig af.
Als snel werd me duidelijk dat schrijven een ambacht is, tenzij je natuurlijk op jeugdige leeftijd al bulkt van een talent, waarvan je de herkomst niet kent en niet hoeft te kennen, omdat je op die leeftijd met dat soort vragen helemaal niet bezig bent. Cruijff wist als D-pupil ook niet waarom hij de bal met ‘het linker kantje schoen’ moeiteloos in de kruising kon jagen. Of recht door het midden, of waar hij toevallig verder maar zin in had.

Schrijven is een vak dat je al doende leert of waarvoor je een coach inschakelt die je bijvoorbeeld bijbrengt dat je niet schrijft ‘hij was heel erg boos, daarom sloeg hij met de deur’, maar ‘hij sloeg de deur met een knal achter zich dicht’, waardoor de lezer (die je nimmer zaken mag voorkauwen) zelf tot de conclusie komt dat de persoon in kwestie er kennelijk goed de pest in had. In kennerskringen heet dat show, don’t tell.
Waarom kenners zich in de regel van Engelse termen bedienen is me trouwens een raadsel.

Goed.

Een eerste prille versie ging naar een aantal kennissen en vrienden, van wie er één  literatuurwetenschapper was. In kennerskringen wordt zo’n exercitie sterk afgeraden: familie en vrienden hebben er geen verstand van, ze willen je niet kwetsen, en voor je het weet krijg je volstrekt tegenstrijdige feedback. Dat laatste klopte. De reactie van de enige professional die ik had ingeschakeld, stond haaks op die van de literatuurwetenschapper. In kennerskringen heet zoiets hanging in the wrong garden (als je langer schrijft ga je vanzelf steeds meer zelf verzinnen).

Een tweede versie stuurde ik naar een select aantal uitgevers die ik geschikt achtte om mijn ‘boek’ uit te geven. Gezien het genre (familiegeschiedenis) en gezien de kwaliteit van de uitgever (hoogstaand). Ik kreeg een hele aparte relatie met mijn brievenbus, waarvan ik de inhoud meermalen per dag dwangmatig checkte en die zich tenslotte vulde met een vijftal afwijzingen van evenzovele uitgevers.
De een vond het een egodocument, een ander stelde dat het boek niet in hun ‘fonds’ paste, een derde vond dat er te weinig emotie in zat, enzovoort.

Het was een oefening in bescheidenheid. Niemand zit te wachten op het boek dat jij aan het schrijven bent. Daarbij: ik ben niet jong en blond, en ik schrijf geen thrillers, ik ben niet de dochter van een bekende Nederlander of een beroemde actrice die in haar uppie naar Santiago is gelopen en daar een boek over heeft geschreven.

Dat het me toch gelukt is, is een klein wonder. Het is iets met twee D’s: discipline en doorzetten.

Mijn boek, met als titel Op voet van oorlog komt volgende week uit: een familiegeschiedenis, de mijne.

Benieuwd? Lees dan het fragment dat binnenkort op deze site staat.

Comments are closed.

Tag Cloud